De jaren vijftig

De Malen in de jaren vijftig

In de bijeenkomst van 13 juli 1950 werd voorgesteld het presentiegeld van f 3,- te verhogen. Rentmeester Van Haselen wees er op dat dat dit bedrag al sinds 1716 hetzelfde was en het zo ook moest blijven. De vergadering ging daarin mee. Zeven jaar later werd nog eens geprobeerd het presentiegeld te verhogen. Maar ook toen zonder succes. De oude traditie was heilig.

Eind 1952 overleed rentmeester Wijnand van Haselen. Notaris Van ’t Eind herdacht hem op de bijeenkomst van 13 juli 1953. Van Haselen had zijn functie gedurende 32 jaar uitgeoefend als opvolger van zijn vader Petrus Hermanus, die vanaf 1891 die functie had uitgeoefend. En nu volgde opnieuw een Van Haselen op als rentmeester, Willem.

Voor de geschiedenis van de Malen had Van Haselen een belangrijk besluit genomen. Tot zijn aantreden bevatten de notulen niet veel meer dan een opgave van het aantal aanwezigen, de vaststelling van de rekening en de hoogte van de uitkering. Van Haselen besloot uitvoeriger te notuleren. Van ’t Eind was gaan tellen. De notulen van 1891-1919 bedroegen 39 bladzijden, die van 1920-1952 101 bladzijden. Wij kunnen hem daar niet dankbaar genoeg voor zijn.

Bij een vorige gelegenheid heb ik al gememoreerd dat er in de oorlog een conflict ontstond met de familie Van de Fijnegeer over het eigendomsrecht van een stukje grond ter waarde van circa f 1.500,-. Als gevolg daarvan weigerde Van de Fijnegeer zijn pacht te betalen en te voldoen aan andere financiële verplichtingen. Jaar op jaar bleef de zaak slepend. In 1955 deed de rechtbank in Utrecht uitspraak in dit conflict. De Malen kregen geen gelijk maar wie rechtens eigenaar was van het bewuste stukje grond werd niet beantwoord. Men ging in hoger beroep er op vertrouwend dat het hof in Amsterdam 80% van de Utrechtse vonnissen vernietigde. Dat gebeurde niet en de zaak werd voorgelegd aan de Hoge Raad. Deze oordeelde dat Van de Fijnegeer geen eigenaar van het stuk grond was maar de Malen onvoldoende konden aantonen dat zij wèl eigenaar daarvan waren. De kosten waren inmiddels opgelopen tot circa f 4.300,-. Dit betekende dat de Malengeërfden in 1957 slechts f 6,- per portie uitgekeerd kregen. Zij besloten daarop voorlopig maar te stoppen met procedures en verdere ontwikkelingen af te wachten..

Tot slot nog een interessant gegeven uit de notulen van 1957. Anton Rigter kreeg voor vijf jaar jet jachtrecht tegen betaling van f 70.- per jaar en levering van een haas aan de rentmeester!